12 mei 2026
Ontwikkelingssamenwerking en terugkeerbeleid
De Tweede Kamer debatteerde op dinsdag 12 mei in commissieverband over de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 18 mei. Lees hieronder de bijdrage van onze fractievoorzitter Chris Stoffer.
Ontwikkelingssamenwerking staat onder druk. Dat komt niet alleen door bezuinigingen, maar ook omdat doelstellingen verschuiven. Waren schoon drinkwater, gezondheidszorg en opbouw van instituties ooit leidend, vandaag de dag zien we dat het eigenbelang steeds vaker de boventoon voert. Een extreem voorbeeld daarvan kwam recent naar voren in een uitgelekte memo van het State Department. Daarin werd voorgesteld om Amerikaanse HIV-financiering voor Zambia in te zetten als drukmiddel om toegang tot kritieke mineralen af te dwingen. De boodschap was duidelijk: steun is niet langer een kwestie van solidariteit of verantwoordelijkheid, maar moet primair een hefboom worden voor politieke en economische belangen.
Met zo’n vaart zal het hier misschien niet lopen. Maar net als de VS opereert de Europese Unie in een ingewikkeld krachtenveld. Ontwikkelingssamenwerking heeft een strategische dimensie en is welbegrepen eigenbelang. Stabiliteit aan onze buitengrenzen, import van bijvoorbeeld groene waterstof en toegang tot grondstoffen zijn voor de SGP legitieme belangen.
Het geopolitieke belang geeft een rationele onderbouwing voor ontwikkelingsbeleid en onderstreept bovendien de onderscheiden rol van de overheid: het aangaan van strategische partnerschappen, het bevorderen van stabiliteit en het verbinden van diplomatie, handel en veiligheid. Dat zijn taken die maatschappelijke organisaties niet zelfstandig kunnen dragen en die buiten de opdracht van kerken vallen. Bovendien kan Nederland op mondiaal niveau zelfstandig niet altijd voldoende gewicht in de schaal leggen. Juist daarom steunen wij een actieve Europese rol via het Global Europe-instrument.
Maar precies daarom moeten we ook principieel blijven over de vraag wat leidend is in Europees ontwikkelingsbeleid. Een transactionele benadering van ontwikkelingssamenwerking ondermijnt de basis die nodig is voor langjarige partnerschappen. Los-vaste relaties op basis van kortetermijnbelangen zijn niet in ons geopolitieke eigenbelang, omdat het Afrikaanse landen juist ontvankelijker maakt voor China en Rusland, die geen lastige vragen stellen over mensenrechten of goed bestuur.
De SGP ziet de noodzaak tot meer strategisch inzetten van Europese middelen, maar heeft daarbij wel een aantal vragen:
- Kan de minister aangeven hoe de kabinetsinzet zich verhoudt tot de motie-Ceder/Hirsch? Blijft armoedebestrijding leidend bij EU-ontwikkelingsbeleid, zoals vastgelegd in het EU-werkingsverdrag?
- Is de minister bereid zich uit te spreken voor het behouden van de 90%-ODA-doelstelling binnen het Global Europe-instrument, en hoe gaat hij er zich voor inzetten dat de Commissie dit percentage niet eenzijdig kan wijzigen?
Migratiesamenwerking is tweerichtingsverkeer. Lidstaten moeten consequenties kunnen verbinden als niet meegewerkt wordt aan de terugkeer van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Daarbij geldt wel dat zulke prikkels zich in de eerste plaats moeten richten op de verantwoordelijke autoriteiten en niet bedoeld zijn om de bevolking van deze landen te treffen. De SGP staat open voor een wortel-en-stokbenadering, maar alleen als die doelmatig is.
- Kan de minister aangeven hoe dit kabinet de koppeling ziet tussen terugkeersamenwerking en Europees ontwikkelingsbeleid?
- Hoe wil het kabinet regeringen in Afrika aanzetten tot een constructieve houding bij terugkeersamenwerking?
- De SGP ziet daarbij ook praktische obstakels. Bij grensoverschrijdende projecten zoals de Lobito-corridor kan het inhouden van geldstromen naar het ene land ingrijpende effecten hebben op de ontwikkeling van een ander land, dat wél bereid is om uitgeprocedeerde vreemdelingen terug te nemen.
Graag een reflectie van de minister op de uitvoerbaarheid van eventuele conditionaliteiten in het nieuwe Global Europe-instrument.
De vraag die vandaag voorligt is niet óf Europa geopolitiek moet bedrijven. Dat doet Europa al. De vraag is of het primaire doel van ontwikkelingssamenwerking armoedebestrijding blijft, of verwordt tot een instrument van economische en strategische prioriteiten. Voor mijn fractie is dat onderscheid essentieel.