15 april 2026
De Schepper heeft ons allemaal gemaakt
De Tweede Kamer debatteerde op woensdagavond 15 april met minster Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) over de wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie. Namens de SGP sprak Diederik van Dijk. Zijn inbreng is hieronder te lezen. Op een later moment hoopt minister Hermans de gestelde vragen tijdens een plenair debat te beantwoorden.
We hebben het de afgelopen dagen ongetwijfeld allemaal gevolgd: de reis naar de maan en weer terug. De beelden van de ruige maan, maar ook van de nietige aarde tegen de achtergrond van een immens heelal – ronduit adembenemend.
Het trof mij dat één van de astronauten, Victor Glover zei: "We hebben het er vaak over hoe bijzonder deze reis is, maar vergeet tegelijkertijd niet dat we op een plek mogen wonen die speciaal voor ons geschapen is."
Ik moest denken aan woorden uit Psalm 8. De hemel, de maan en de sterren worden daarin beschreven als het werk van de vingers van God. Vervolgens vraagt de dichter zich af: ‘‘Wat is de mens, dat U naar hem omziet?’’
Wat is de mens? Hoe bijzonder is het dat in zo’n groot heelal menselijk leven bestaat. Leven door God geschapen. Hoe bijzonder is het dat God de Schepper ieder van ons heeft gemaakt. Net zoals Hij zon, maan en sterren maakte, maakt Hij ook mensen. Hij heeft ons vanaf het prilste begin gewild en gekend. Dat besef maakt klein en nederig.
De zeventiende-eeuwse wiskundige en filosoof Blaise Pascal schrijft over de oneindige ruimte waar de mens door de uitvinding van de lens in terecht was gekomen. Door de telescoop zag hij de oneindige ruimte rondom onze planeet. Door de microscoop werd de oneindige wereld van cellen in ons mensen zichtbaar. Het vervulde hem beide met huiver en ontzag.
Die mengeling van verwondering, nederigheid en huiver lijkt mij ook passend bij dit debat. Opnieuw een wijziging van de Embryowet. Dit keer naar aanleiding van de derde wetsevaluatie. Het gaat om, ik citeer de Raad van State, een ‘ingrijpende aanpassing’ van deze wet. De definitie van ‘embryo’ in de wet wordt gewijzigd, waardoor de wet in feite weer wat wordt verruimd.
Dit wetsvoorstel staat niet op zichzelf. Eind vorig jaar is er een fundamentele wissel omgezet. De Tweede Kamer stemde in met embryokweek voor wetenschappelijk onderzoek. Je ‘kweekt’ dus heel pril leven, om het daarna te vernietigen. Intens verdrietig om zó te handelen met menselijk leven.
En hoewel de fundamentele wissels eind vorige jaar in feite al zijn omgezet, wil ik ook vandaag een duidelijke markering maken. Want ook dit wetsvoorstel raakt de beschermwaardigheid van het menselijk leven en opent deuren naar verdergaande vertechnisering van de voortplanting. Het is om die reden dat er afgelopen zondag in veel kerken voorbede is gedaan. Er is gebeden om wijsheid en voorzichtigheid voor alle Kamerleden en kabinetsleden. Er ligt een grote verantwoordelijkheid op onze schouders. Ook naar de toekomst.
Want, voorzitter, dit lijkt niet de laatste wijziging van de embryowet. Zo ligt er een advies om de 14 wekengrens voor embryokweek op te rekken. En er ligt een tweede initiatiefwet klaar vanuit D66 en de VVD over embryo’s. Die is erop gericht om embryo’s die erfelijke ziekten met zich kunnen meedragen al in een zo vroeg mogelijk stadium te vernietigen.
De SGP wil er geen misverstand over laten bestaan: de medisch-ethische onderwerpen zijn voor ons cruciaal in de beoordeling en benadering van het kabinet.
Het feit dat de Kamer het initiatiefvoorstel om embryokweek toe te staan heeft aanvaard, betekent dat een aantal aspecten die de regering bewust had uitgezonderd van háár voorstel inmiddels al werkelijkheid zijn geworden. Concreet gaat het dan om embryokweek voor onderzoek met ‘klassieke embryo’s’, embryokweek ten behoeve van therapeutisch kloneren en voor onderzoek met IVG-geslachtscellen. De Kamer in de huidige samenstelling heeft besloten om die grens over te gaan. Dat is de pijnlijke realiteit waartoe we ons moeten verhouden.
Dit brengt mij echter wel op de volgende vraag, waar de minister zich naar onze overtuiging indringend rekenschap van zal moeten geven. In het wetsvoorstel wordt namelijk voortdurend gezegd dat de regering een balans heeft gezocht tussen de bescherming van menselijk leven enerzijds en het belang van medisch-wetenschappelijk onderzoek anderzijds. De regering koost daarom, zo wordt in de toelichting keer op keer gesteld, bewust niet voor het volledig opheffen van het kweekverbod, maar wél voor het toestaan van de kweek van intacte embryoachtige structuren (ELS). De regering zag dit als een aanvaardbaar alternatief voor embryokweek.
Nu de initiatiefwet echter is aanvaard, kan ik dus niet anders dan concluderen dat de balans die de regering nadrukkelijk heeft gezocht, doorbroken is.
- Erkent de minister dat zelf ook?
- Zo ja, welke consequenties heeft dit volgens haar voor het voorstel dat wij vandaag bespreken?
- Is zij het ermee eens dat, als je redeneert vanuit de door de regering gezochte balans, dit op z’n minst zou moeten leiden tot aanscherping van de Embryowet ten gunste van de bescherming van pril menselijk leven?
Om daar vast een voorschot op te nemen, de amendementen die de SGP heeft ingediend zijn dan ook daarop gericht.
Het is de SGP opgevallen dat de regering zich in de toelichting op het wetsvoorstel en in de nota naar aanleiding van het verslag beperkt tot een juridisch-technische uitleg en onderbouwing. Het ontbreekt aan een grondige, ethische afweging van belangen, waarden en rechten.
Ook de Raad van State legt hier in haar advies nadrukkelijk de vinger bij. De regering zegt bijvoorbeeld wel zij dat de beschermwaardigheid van beginnend menselijk leven heeft afgewogen tegen het belang van wetenschappelijk onderzoek. Maar het wordt nauwelijks duidelijk hoe die afweging heeft plaatsgevonden. De regering presenteert eigenlijk alleen het resultaat van de belangenafweging, namelijk het wetsvoorstel zelf.
Sterker nog, in de kabinetsreactie op de brief van de NPV probeert de minister een onderscheid aan te brengen tussen levensbeschouwelijke perspectieven op embryo’s en de juridische definitie van embryo’s zoals dat in de Embryowet is vastgelegd. Ik citeer: ‘De definities in de huidige Embryowet en in het wetsvoorstel van de regering zijn niet bedoeld om levensbeschouwelijk te duiden wat beginnend menselijk leven is.’
De SGP meent dat de regering dit onmogelijk kan volhouden. Iedere wet is gestoeld op morele opvattingen en ethische overwegingen. Dat geldt dus óók voor deze wijziging van de Embryowet. Dat de regering hier in de toelichting op het wetsvoorstel dan ook bewust aan voorbij gaat, vindt de SGP een onbegrijpelijke en pijnlijke nalatigheid. De regering verwijst in de toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag telkens naar de uitkomsten van publieksonderzoek, waaruit steun voor het voorliggende voorstel zou blijken.
Zoals de SGP eerder heeft aangegeven, is een verwijzing naar maatschappelijke opvattingen op zichzelf nog geen inhoudelijke weging van belangen. Bij behandeling van de oorspronkelijke Embryowet wees de Raad van State er al op dat breed maatschappelijk draagvlak slechts informatieve waarde kan hebben en dat overheidsbeleid niet gebaseerd kan zijn op opvattingen van burgers of instanties. Het is aan de wetgever zélf om een ethische afweging te maken en dit vervolgens juridisch te vertalen. Ik wil de minister daarom vragen in dit debat alsnog duidelijk te maken welke morele overtuigingen aan dit voorstel ten grondslag liggen.
De SGP kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit wetsvoorstel uitsluitend ingegeven is door de wens tot medisch-wetenschappelijke vooruitgang. Diverse keren geeft de regering aan dat het wetsvoorstel zó is geformuleerd dat het zo goed mogelijk aansluit bij de huidige stand van zaken van wetenschappelijke onderzoek. Er is daarbij nadrukkelijk rekening gehouden met mogelijk toekomstig wetenschappelijk onderzoek. Ik moest denken aan een bekend citaat dat vaak is toegeschreven aan de filosoof Søren Kierkegaard: "Wie met de tijdgeest trouwt, wordt snel een weduwnaar". Dat geldt ook hier.
In voorgaande debatten over de Embryowet heeft de SGP er telkens op gewezen dat wanneer je de volledige beschermwaardigheid van het embryo eenmaal hebt losgelaten, iedere nieuwe grens altijd arbitrair zal zijn. Er zal altijd druk zijn om de mogelijkheden voor de medische wetenschap weer verder op te rekken ten koste van pril menselijk leven. De SGP meent dat ook hier de vraag ‘wat is de mens’ op zijn plaats is. Wie zijn wij om ons in de positie van onze Schepper te manoeuvreren?
Kern wetsvoorstel
Ik wil nu dieper ingaan op de kern van het wetsvoorstel, namelijk het wijzigen van de definitie van embryo. De huidige definitie van ‘embryo’ in de wet luidt: "cel of samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens". De SGP vindt dit een onjuiste definitie. Een embryo heeft niet het vermogen om uit te groeien tot een mens, maar het is een mens. Het doet ook geen recht aan de beschermwaardigheid van embryo’s die vanwege een gebrek of beperking nooit verder zullen ontwikkelen, zoals de regering terecht constateert.
De nieuwe definitie voor embryo als het "samensmelten van een in het menselijk lichaam ontstane eicel en zaadcel" spreekt ons daarom veel meer aan.
Wij vinden dit beter dan de huidige definitie.
Vervolgens stelt de regering voor om de definitie van embryo uit te breiden met allerlei ‘embryoachtige entiteiten’. De SGP heeft daar grote moeite mee. Het wetsvoorstel wijzigt de definitie van een embryo zodat ook entiteiten die niet het resultaat zijn van het samensmelten van een in het menselijk lichaam ontstane eicel en zaadcel, maar wél dezelfde essentiële functies voor doorgaande ontwikkeling hebben ook onder de definitie komen te vallen. Dit wordt gepresenteerd als een bescherming van pril menselijk leven, maar is feitelijk een verruiming van de wet en vertroebelt de waarde van menselijk leven.
De SGP wijst het tot stand laten komen van deze embryoachtige entiteiten af voor zowel reproductieve doeleinden als onderzoeksdoeleinden. Ik kom daar zo op terug. Echter, los van de vraag of het moreel wenselijk is om entiteiten te ontwikkelen die op het oog niet te onderscheiden zijn van menselijke embryo’s, menen wij dat er een fundamenteel ethisch onderscheid blijft bestaan tussen een embryo en dergelijke embryomodellen.
Je zou het ook logisch-filosofisch kunnen beargumenteren. Twee dingen die in wezen niet hetzelfde zijn, kun je niet onder één definitie scharen. Door embryo’s en embryoachtige entiteiten op definitieniveau gelijk te schakelen, wordt de waarde van menselijk leven door de wetgever feitelijk aangetast.
Daarom stellen wij via amendement (nr. 13) een definitiesplitsing voor. Het begrip ‘embryo’ krijgt een aparte definitieomschrijving en er wordt een nieuw begrip toegevoegd, namelijk ‘embryoachtige entiteiten’. Onder dit nieuwe begrip volgt dan de opsomming van mogelijke ontstaanswijzen van degelijke entiteiten. Hiermee biedt de wetgever een juridische verankering van het ethische onderscheid tussen embryo en embryoachtige entiteiten.
Onder onderdeel b van de voorgestelde definitie worden vijf mogelijkheden voor totstandkoming van een embryoachtige entiteit genoemd. Ik ga deze nu één voor één af om aan te geven hoe de SGP hiernaar kijkt en welke consequenties wij hieraan verbinden.
De eerste en tweede mogelijkheid gaan over het samensmelten van een of meerdere in vitro geproduceerde geslachtscellen, de zogenaamde IVG-geslachtcellen, met andere IVG-geslachtscellen of in het menselijk lichaam geproduceerde geslachtscellen. De initiatiefwet die de embryokweek mogelijk maakte, regelde al dat IVG-geslachtscellen gebruikt mogen worden voor wetenschappelijk onderzoek. De wetenschap is op dit moment niet in staat een zwangerschap tot stand te brengen door samensmelting van een of meer IVG-geslachtscellen. Dit valt echter niet uit te sluiten in de toekomst.
De SGP vindt dat, als deze praktijk ooit technisch mogelijk wordt, de wetgever een expliciete keuze moet maken om dit al dan niet toe te staan. Samen met mevrouw Bikker heb ik daarom een amendement (nr. 11) ingediend die het tot stand brengen van embryo’s met IVG-geslachtscellen voor reproductieve doeleinden verbiedt.
Een derde ontstaanswijze van een embryoachtige structuur betreft het samenbrengen van pluripotente stamcellen. Deze ‘embryo like structures’ (ELS) bootsen een ‘klassiek’ embryo na. Zij zijn echter niet ontstaan uit de samensmelting van een in het menselijk lichaam geproduceerde eicel met een of meer in het menselijk lichaam geproduceerde zaadcellen, maar uit stamcellen die zijn gevormd uit ‘normale’ lichaamscellen en zo zijn geprogrammeerd dat ze zich gaan gedragen als embryonale stamcellen.
Het gebruik van ELS voor reproductieve doeleinden is verboden vanwege het kloonverbod. De regering wil het gebruik van ELS voor onderzoeksdoeleinden echter mogelijk maken. Samen met de ChristenUnie dient de SGP een amendement (nr. 8) in om dit niet toe te staan. Als een bepaald type ELS de mogelijkheid in zich draagt om zich tot een mens te ontwikkelen, dan is dezelfde terughoudendheid als bij een klassiek embryo, met dezelfde potentie tot ontwikkeling tot een mens, ons inziens gerechtvaardigd.
De vierde ontstaanswijze van embryoachtige structuren is door middel van celkerntransplantatie. Dat is een techniek waarbij de celkern van een eicel wordt vervangen door de kern van een lichaamscel (bijvoorbeeld een huidcel) wat resulteert in een kloon van de donor. Het gebruik van deze techniek is zoals bekend verboden voor reproductieve doeleinden. Zoals in het debat over de initiatiefwet voor embryokweek al duidelijk werd, heeft de Kamer met het aanvaarden van die wet de mogelijkheid van celkerntransplantatie voor zogenaamd ‘therapeutisch klonen’ al toegestaan. De SGP vindt dat een pijnlijke realiteit, maar dat is waar we het mee moeten doen. Daarom hebben we op dit punt geen amendement ingediend.
- Ik vraag nog wel aan de regering om bij de behandeling van de initiatiefwet in de Eerste Kamer maximale duidelijkheid te creëren over wat dit in de praktijk te betekent, gelet op de verwarring die hierover ontstond tijdens de behandeling in de Tweede Kamer.
De vijfde mogelijkheid die de regering wil opnemen in de definitie luidt ‘een ander wijze van tot stand brengen’. De SGP-fractie vindt dit een zeer open norm. Dit betekent dat de wetenschap zonder enige betrokkenheid van de wetgever mag experimenteren met nieuwe ontstaanswijzen van embryoachtige structuren. Op grond van deze bepaling komen die daarmee automatisch onder de Embryowet te vallen. Dit gaat zeer ver. Zonder dat de wetgever daar nog aan te pas komt, wordt hier maximale ruimte geboden aan de wetenschap.
Samen met de ChristenUnie dienen wij daarom een amendement (nr. 12) in om dit onderdeel te schrappen. Om als wetgever duidelijkheid te bieden, stellen we voor om in artikel 24 van de Embryowet een nieuwe verbodsbepaling op te nemen die verbiedt om een embryoachtige structuur tot stand te brengen op een andere wijze dan genoemd in de definitiebepaling.
Als ik al deze amendementen samenvat, betekent dit het volgende.
De SGP ziet een ethisch en wezenlijk onderscheid tussen embryo’s en embryoachtige entiteiten. Vandaar ons amendement voor definitiesplitsing. De SGP erkent dat er manieren bestaan of denkbaar zijn om embryoachtige structuren te maken die dusdanig lijken op embryo’s tot dat het onderscheid in de praktijk nauwelijks of niet meer te zien is. In dat geval zouden embryoachtige structuren dezelfde bescherming moeten krijgen.
De SGP vindt vervolgens de vijf mogelijke ontstaanswijzen van embryoachtige structuren voor onderzoek of vruchtbaarheidsbehandelingen om uiteenlopende redenen niet aanvaardbaar, vandaar onze amendementen om dit onmogelijk te maken.
Dit wetsvoorstel is in de kern gebaseerd op een onderscheid tussen zogenaamde ‘intacte’ en ‘niet-intacte’ embryoachtige structuren. Niet-intacte ELS bootsen een embryo slechts gedeeltelijk na, waardoor zij zich niet kunnen ontwikkelen tot een embryo in de klassieke zin van het woord. Intacte ELS zouden hiermee onder de Embryowet komen te vallen. Niet-intacte ELS komen onder de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal te vallen, zo is de bedoeling. Hoewel het onderscheid tussen intact en niet-intact niet in de wetstekst zelf terecht is gekomen, wordt hier in de toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag wel veelvuldig gebruik van gemaakt.
Uit de nieuwe richtlijn van de internationale vereniging voor stamcelonderzoek (ISSCR) blijkt dat het onderscheid tussen intact en niet-intact echter problematisch is. De nieuwste richtlijn van het ISSCR uit 2025 neemt afscheid van dit onderscheid.
- Hoe denkt het kabinet, ook met het oog op de behandeling van de Wzl, om te gaan met dit onderscheid wat dus geen onderscheid meer is?
- In de wet wordt gesproken over ‘essentiële functies’. Maar wat is het verschil tussen ‘intacte embryo’s’ en een embryo met dezelfde ‘essentiële functies’? Wordt hiermee niet hetzelfde bedoeld en hoe houdbaar is dit dan op de lange termijn?
Het onderscheid tussen intact en niet-intact roept ook de volgende vraag op. De mate van beschermwaardigheid van embryo’s laten we ook niet afhangen van het feit of het al dan niet beperkt is. Dat zou discriminatie zijn. Waarom doen we dat dan wel met ELS? Kan de minister dat uitleggen?
En daarbij: ELS worden bewust ‘niet-intact’ gemaakt door de onderzoeker.
Dan is het dus de onderzoeker die de mate van bescherming bepaalt van de ELS waar hij mee bezig is. Hoe wenselijk vinden we dat eigenlijk? Graag een reflectie.
Er is nog één aspect waar ik tot slot de aandacht op wil vestigen. In het verslag zijn vragen gesteld over het gebruik van foetaal of embryonaal weefsel na een abortus ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek. Dit wordt geregeld in de Wet foetaal weefsel. Hoewel dat in Nederland in de praktijk nu niet voorkomt, zouden embryo’s die na een abortus zijn verkregen óók gebruikt kunnen worden voor de ontwikkeling van embryoachtige structuren. De SGP zou dit zeer onwenselijk vinden. Daarom hebben we samen met de ChristenUnie een amendement (nr. 10) ingediend om dit expliciet te verbieden.
Ik rond af. Ik begon mijn bijdrage met de uitroep: ‘Wat is de mens!’ De grote dichter Joost van den Vondel schrijft in zijn Altaergeheimenissen:
'Ontleedt de mensch, gij kunt geen ziel ontleden.'
Dit raakt een belangrijk geheimenis. Mensen zijn méér dan een grote klomp cellen. Bezield en beelddragers van God. Laten we uiterste voorzichtigheid betrachten en ervoor waken dat overheden en wetenschappers de Schepper naar de kroon gaan steken.