2 juni 2026

Wet tegen homogenezing of tegen pastorale zorg?

Vandaag debatteert de Eerste Kamer over het initiatiefwetsvoorstel om conversiehandelingen te verbieden. De wet is problematisch omdat het grondrechten op verregaande wijze beperkt terwijl niet helder is welk probleem het oplost. Deze wet verbiedt stelselmatige en indringende gesprekken in pastoraat en mentoraat, of zelfs liefdevolle gesprekken met ouders, waarin een Bijbelse visie op seksualiteit en gender wordt voorgehouden. Kinderen die worstelen met hun seksuele of genderidentiteit mogen daarin alleen nog bevestigd worden. Reden voor de kritische bijdrage van Peter Schalk die u hieronder leest. 

Mevrouw de voorzitter, ik zou mijn bijdrage kunnen beginnen met dit citaat: ‘Het is onduidelijk of in Nederland op enige schaal homogenezing plaatsvindt. Er zijn ook geen aanwijzingen dat transmensen met conversie te maken hebben. En daarom komt er een wet tegen homogenezing en transconversie. De enige plek waar dit voor logica kan doorgaan is de vierkante kilometer genaamd Binnenhof’. Aldus de wat cynische conclusie van journalist Jan Kuitenbrouwer naar aanleiding van het onderzoek van de bureaus Beke en Ateno, waar de initiatiefnemers naar verwijzen.

Maar ik zou mijn bijdrage ook heel anders kunnen starten, met citaten uit de Bijbel, en wel uit het eerste boek Genesis, dat duidt op de oorsprong, de heerlijke schepping door God. Drie citaten uit het eerste hoofdstuk, te beginnen met ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde’. En vervolgens: ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.’ En tenslotte: ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed’.

In die zeer goede schepping is heel wat misgegaan, niet door God, maar door de mens die als God wilde zijn, door de zonde die in de wereld is gekomen. En vandaag hebben we te maken met de gevolgen van wat misging. We zien het om ons heen, in de zorgen om het klimaat, in de oorlogen die woeden, in de gebrokenheid van levens van mensen, en ja, ook in de gevoelens van mensen die zo goed geschapen waren. Mensen die worstelen met hun identiteit, met hun seksuele gevoelens, met vragen over hun gender.

Dat zijn vragen en worstelingen die we serieus nemen. Ook vandaag zullen we hier met voorzichtigheid over spreken. Woorden doen ertoe, maar wetgeving ook.

Daarmee kom ik bij het wetsvoorstel, en eerlijk is eerlijk, het is moedig van de indieners om een zo gebrekkig wetsvoorstel over te nemen. Immers, de Raad van State was in 2022 heel duidelijk over de ondeugdelijkheid van het wetsvoorstel en van de memorie van toelichting. Beiden moesten worden verbeterd, veranderd of aangevuld. Ook de wetenschapstoets had stevige kritiek op het wetsvoorstel, onder andere omdat eenduidige definities ontbreken over kernbegrippen als genderidentiteit, genderzelfbeschikking en conversiehandelingen, waardoor de reikwijdte van de wet onduidelijk is. Uiteindelijk was op 29 februari 2025 de eerste termijn van de kant van de Tweede Kamer, en de beantwoording van de zijde van de indieners was op 2 september. Enkele dagen daarvoor, op vrijdag 29 augustus, lag er plotseling een tweede nota van wijziging, met daarin de fundamentele toevoeging ‘stelselmatig of anderszins op indringende wijze’. Dat heeft alles te maken met de reikwijdte van de wet. Ik kom straks nog te spreken over de inhoudelijke consequenties daarvan, maar eerst het proces: deze gang van zaken betekent dat de Tweede Kamer in haar eerste termijn hier niet eens op heeft kunnen reflecteren. Mijn eerste vraag is dan ook:

  • Waarom hebben de indieners destijds geweigerd een extra voorlichting van de Raad van State te vragen?

Want een dergelijke ongefundeerde en ongeclausuleerde toevoeging op een strafrechtelijke kwestie is zeer risicovol. Alle reden om vanuit deze Eerste Kamer die extra voorlichting te vragen aan de Raad van State. Daar was de Commissie Justitie & Veiligheid in deze Kamer het mee eens, en op verzoek heb ik in samenwerking met de griffie en in afstemming met de Raad van State een extra voorlichtingsverzoek voorbereid. Zoals gebruikelijk werd de extra voorlichting op de plenaire agenda geplaatst onder voorbehoud van instemming door de commissie. Helaas, 38 leden vonden het plotseling niet meer nodig om extra voorlichting te vragen.

  • Vanwaar die angst, zo vraag ik aan mijn collega’s? Waarom durven we dat niet?

Jammer, daarom wend ik me nu tot de minister als adviseur van de initiatiefnemers. Onlangs heeft deze Kamer een motie van mijn hand aangenomen, waarin de regering wordt opgeroepen om geamendeerde wetgeving te voorzien van een soort sneltoets op grondrechten en houdbaarheid. Ik weet, vandaag gaat het niet om een amendement, maar om een wijziging door de indieners zelf, maar als adviseur namens de regering is het toch zijn taak om de kwaliteit van wetgeving te bewaken.

  • Waarom dringt de minister niet aan op zorgvuldige toetsing van een gewijzigd wetsvoorstel?

Mevrouw de voorzitter, Het voorstel is gepresenteerd als een poging om ‘homogenezing’ strafbaar te stellen. Allerlei pijnlijke en misdadige praktijken zoals met elektrische schokken en dergelijke zijn wat mij betreft onaanvaardbaar, maar die zijn nu ook al strafbaar. Daar hebben we deze wet niet voor nodig. Maar dit wetsvoorstel raakt vooral aan gesprekken en handelingen die erop gericht zijn om voorzichtig en afwachtend om te gaan met jonge mensen die in verwarring zijn over hun seksuele identiteit. Psychologen, artsen, leraren, pastors en ouders riskeren straks een gevangenisstraf of een boete als zij de verwarrende gevoelens van kinderen niet direct accepteren en bevestigen, oftewel affirmeren.

Door dit wetsvoorstel wordt het gedrag strafbaar van iemand die ‘in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie STELSELMATIG OF ANDERSZINS OP INDRINGENDE WIJZE handelingen verricht die ertoe strekken de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een minderjarige te veranderen of te onderdrukken’. En dat geldt ook bij een meerderjarige als er misbruik wordt gemaakt van ‘uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’.

  • Wat is de reikwijdte hiervan, bijvoorbeeld in relatie tot gesprekken, op verzoek van de betrokkene zelf, op scholen of in pastorale setting?
  • Wat als een hulpverlener, die vermoedt dat ervaren genderdysforie van voorbijgaande aard is, adviseert om nog geen transitiestappen te zetten?

Die vragen knellen, want als iemand die worstelt met zijn seksuele gerichtheid of genderidentiteit daarover in gesprek gaat met ouders en misschien op advies van die ouders met een psycholoog, of met een pastor, of met een coach, of met een mentor of docent op school, dan komen zij in de gevarenzone. Zij ‘affirmeren’ de identiteit van hun kind/patiënt/leerling niet direct en proberen hem of haar te bewegen de natuurlijke of biologische sekse te accepteren en te voorkomen dat een gezond lichaam wordt aangetast door onzorgvuldige besluiten. Dat kan zomaar worden ervaren als ‘onderdrukkend’.

  • Maar die grens is in concreto niet scherp te trekken, en zeer subjectief. Wat is daarover het oordeel van de indieners?

Mevrouw de voorzitter, het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel vereisen dat voor burgers vooraf duidelijk moet zijn wat strafbaar is en wat niet. Dit wetsvoorstel voldoet daar niet aan want een strafbare conversiehandeling bevat in deze wet een subjectief bestandsdeel dat niet afhankelijk is van de gemoedstoestand van de dader, maar van de beleving door het slachtoffer.

  • Hoe reflecteren de initiatiefnemers en de minister daarop?

Dat klemt te meer nu volstrekt onduidelijk is wat de betekenis is van het onderdrukken, dat ook strafbaar wordt gesteld. Ook uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt niet duidelijk wat de toegevoegde betekenis is van het verbieden van onderdrukken.

Door deze criminalisering van bepaalde gesprekken tussen kinderen en hun ouders, docenten, geestelijken of psychologen ontstaan er allerlei beelden over wat dan wel of niet strafbaar zou zijn. Neem gesprekken tussen ouders en kinderen. Die vallen vooralsnog ‘in beginsel’ buiten de strafbaarstelling. Tegelijk kan er volgens de initiatiefnemers wel sprake zijn van ‘strafbaarheid van ouders’. In de TK hebben de initiatiefnemers klip en klaar gezegd, en ik citeer: “kunnen wij nooit uitsluiten dat ouders ooit door het Openbaar Ministerie medeplichtig worden geacht als zij hun kind naar conversietherapie sturen. Uitsluiten kunnen we dat nooit, maar het is niet heel waarschijnlijk.”

Misschien vinden de initiatiefnemers dit geruststellende teksten, maar bij ons in de Eerste Kamer zouden alle alarmbellen toch moeten gaan rinkelen:

Ten eerste omdat ouders dus wel strafbaar kunnen worden gesteld. En wat betekent dit dan voor de scholen waar hun kinderen zitten. Daar mogen evenmin opvattingen zijn en gesprekken worden gevoerd die, in de beleving van een jongere, op dat moment of later in zijn leven, leiden tot het ‘onderdrukken’ van zijn of haar seksuele identiteit of genderidentiteit. Of hulpverleners die hun beroep blijkbaar alleen verantwoord uitoefenen wanneer zij de gevoelens van een patiënt niet helpen ‘onderdrukken’.

  • Voor dit soort hulpverlening komt iemand toch niet eenmalig bij een hulpverlener? Het is toch logisch dat er dan een serie gesprekken plaatsvindt. Dat is dan toch al stelselmatig?

En dan de term ‘indringend’, daar kun je toch niet omheen. Ik vind het gewoon stuitend dat de indieners hiermee veronderstellen dat dit soort gesprekken niet indringend zouden zijn. Ze stellen dat het zou gaan om iets dat een “bepaalde mate van ingrijpendheid op de psyche” zou hebben. Vager kan niet! Daarom ook hier maar even gezocht in de jurisprudentie, waaruit blijkt: Het hanteren van seksuele opmerkingen of gebaren is naar zijn aard indringend, gelet op het effect dat dit op een ander heeft.

  • Kunnen de indieners uitleggen hoe zij menen dat het voor iemand met genderdysforie of met homoseksuele gevoelens niet indringend zou kunnen zijn om daar het gesprek over te voeren?

Juridisch gezien rammelt de formulering ook. De indieners zoeken met het woord stelselmatig aansluiting bij belaging en stalking. En inderdaad, het woord ‘stelselmatig’ komt voor in de delictsomschrijving van belaging, art. 285b lid 1 Sr: “Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer ….”

Echter, belaging en stalking zijn naar hun aard heel anders. Daar zoekt de dader het slachtoffer op. In het geval van conversietherapie is dat andersom: de hulpbehoevende zoekt de hulpverlener op. Dat maakt aansluiting bij stalking en belaging niet logisch.

  • Hoe kijkt de minister van Justitie hier tegenaan?

In de jurisprudentie wordt de term als volgt ingevuld: Stelselmatigheid houdt, aldus de wetsgeschiedenis, een zekere intensiteit, duur of frequentie in. De indieners zeggen ook te doelen op ‘aard, duur, frequentie en intensiteit’. Mooie globale woorden, maar zonder nadere duiding bieden die geen effectief normenkader. Het gebruiken van het strafrecht om ongewenst gedrag aan te pakken is in een democratische rechtsstaat toch een ultimum remedium waar niet licht naar behoort te worden gegrepen.

De indieners zeggen zelf op 2 sept: “Door in de wettekst te expliciteren dat het ertoe doet dat de handelingen stelselmatig of anderszins op een indringende wijze worden verricht, willen we aan de voorkant meer duidelijkheid bieden over wat er wel of niet onder de strafbaarstelling valt. Het moet dus gaan over "stelselmatig" en "indringend". Het gaat over de aard, de duur en de frequentie. Bovendien moet het ook nog in een ambt, een organisatie of een bedrijf plaatsvinden en is de privésfeer uitgesloten. We hebben het dus op allerlei manieren afgebakend”. Einde citaat.

Dus niet, zou ik willen zeggen! Zojuist liet ik zien dat de indieners niet kunnen uitsluiten dat ouders strafbaar kunnen zijn. Die afbakening is gewoon in strijd met grondrechten, zoals de vrijheid van onderwijs en de godsdienstvrijheid. Het is strijdig met belangrijke rechtsbeginselen en het lost de knelpunten uit de wetenschapstoets ook niet op.

  • Mag een kerkgenootschap nog iets vinden van homoseksualiteit, volgens de indieners?
  • Mogen scholen die zich houden aan alle wetten en regels op het terrein van burgerschap en sociale veiligheid nog uitdragen dat God man en vrouw zeer goed geschapen heeft?

En zeker, de indieners hebben, nadat ze door de Raad van State hard op de vingers zijn getikt waar het gaat over de grondrechten, het totaalverbod uit het wetsvoorstel gehaald. Maar alleen daarmee herstel je nog niet de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van religie, zeker niet als je vervolgens de reikwijdte van de strafbaarstelling gaat duiden met onduidelijke kaders.

Mevrouw de voorzitter, de woorden ‘stelselmatig’ en ‘indringend’ geven geen duidelijke kaders of drempel voor strafbaarheid. Daarom kan ik niet anders dan concluderen dat het wetsvoorstel specifiek een levensvisie voorstaat waarin individuele gevoelens niet onderdrukt mogen worden. En het probleem is dat dit diep in de privésfeer en religieuze sfeer ingrijpt en dáár botst met een Bijbelse levensvisie.

In die Bijbelse levensvisie moet er hartelijke liefde en acceptatie zijn voor de naaste, waarbij het leven wordt ingericht zoals God van ons vraagt. Dat heeft consequenties voor de manier van leven en voor de omgang met elkaar, waarbij je binnen de christelijke gemeenschap van een kerk elkaar mag aanspreken. Dat valt onder de vrijheid van godsdienst. Of op een school die uitgaat van de christelijke identiteit, zoals beschermd door de vrijheid van onderwijs.

Dat betekent niet dat je met een beroep op die vrijheden een vrijbrief hebt voor schadelijke behandelingen. Juist niet, zeg ik met klem.  Maar wel om in een christelijke gemeenschap naar Gods woord te luisteren en daarover te spreken. En door de ruime en vage bewoordingen in de strafbaarstelling komt die vrijheid in de knel. Daar ligt een belangrijke taak voor deze Eerste Kamer, als medewetgever en hoeder van de Grondwet.

Mevrouw de voorzitter, alles overziend heb ik het gevoel dat er maar één vorm van hulp aan mensen die in diepe nood zijn geboden mag worden: bevestiging van seksuele identiteit of genderidentiteit. Een verkenning of bevraging, stelselmatig of indringend, kan leiden tot een gevangenisstraf of forse boete.

Daarmee zet je juist die kwetsbare mensen, vaak jongeren, in de kou. Niet voor niets wijzen wetenschappers op het feit dat affirmatie nu juist niet de goede weg is naar een verantwoorde omgang met jongeren die op een kritieke leeftijd met psychische problemen worstelen.

Het is toch algemeen bekend dat genderidenteit een fluïde begrip is, waarin jongeren hun weg zoeken, misschien wel aangewakkerd door het publieke debat. Juist die fluïditeit zou ons voorzichtig moeten maken, maar dit wetsvoorstel doet dat niet. Het ondermijnt de openheid aan alle kanten.

Jonge mensen hebben behoefte aan duidelijkheid, aan een eerlijk en open gesprek, maar dit wetsvoorstel zal bewerkstelligen dat degenen die zij in vertrouwen nemen met meel in de mond gaan praten, omdat ze in de gevarenzone komen zodra ze niet affirmerend spreken.

Bovendien tast dit wetsvoorstel de positie en de belangen van ouders en van hun kinderen aan. Artikel 14 van het internationaal verdrag voor de rechten van het kind spreekt duidelijke taal over het eerbiedigen van het recht van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, en van hun ouders om het kind te leiden in de uitoefening van zijn of haar recht op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind. Artikel 18 geeft aan dat de ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben over hun kind. Artikel 13 geeft aan dat kinderen het recht hebben om meningen te vergaren, ook die van hun ouders.

  • Wat vindt de regering van de ondermijning van de belangen van kinderen en hun ouders? En kunnen de indieners hierop reflecteren?

Mevrouw de voorzitter, er zijn zoveel fundamentele vragen bij dit wetsvoorstel. Ik wil een suggestie doen aan de indieners: namelijk om te verzoeken evenals in de TK hun eerste termijn pas later dit jaar te doen, en dan niet dan nadat er alsnog een extra voorlichting van de Raad van State is gevraagd.