16 juni 2026

Thuisonderwijs in de knel

De recente uitspraak van de Hoge Raad over thuisonderwijs roept fundamentele vragen op over de vrijheid van onderwijs en de positie van ouders in onze samenleving.

De Hoge Raad heeft op 21 april jl. bepaald dat ouders alleen nog in uitzonderlijke gevallen een beroep kunnen doen op vrijstelling van de leerplicht op grond van religieuze of levensbeschouwelijke bezwaren. Daarmee wordt een bestaande wettelijke mogelijkheid in de praktijk vrijwel onhaalbaar gemaakt. Volgens de wet blijft de vrijstelling bestaan, maar in de praktijk wordt zij uitgehold doordat ouders nu moeten aantonen dat alle openbare scholen in hun omgeving niet “objectief, kritisch en pluralistisch” functioneren. Als ouders dat bewijs niet kunnen leveren moeten ze hun kind naar een school sturen waarvan ze de levensbeschouwing niet delen.

Grondrecht

Bij zijn uitspraak lijkt de Hoge Raad aan veel aspecten, alsook aan de wetsgeschiedenis voorbij te gaan. De vrijheid van onderwijs is namelijk niet zomaar een beleidskeuze, maar een grondrecht dat nauw verbonden is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Ouders hebben niet alleen de verantwoordelijkheid om hun kinderen op te voeden, maar ook het recht om onderwijs te kiezen dat aansluit bij hun diepste overtuigingen. De vrijstelling is nu juist bedoeld om dit recht mogelijk te maken.

Openbaar is niet neutraal

De Hoge Raad lijkt bovendien uit te gaan van de misvatting dat openbaar onderwijs een neutraal alternatief biedt. Maar werkelijk neutraal onderwijs bestaat niet. Iedere school, iedere leerkracht draagt bewust of onbewust een bepaalde visie op mens, samenleving en moraal over. Juist daarom heeft Nederland gekozen voor onderwijsvrijheid en in 1917 voor de gelijke financiering van openbare en bijzondere scholen. Hierdoor bestaat er ruimte voor verschillende overtuigingen. Bovendien is het voor kinderen erg verwarrend wanneer zij op school in een ander wereldbeeld en een andere levensbeschouwing worden ondergedompeld, dan die van hun ouders thuis. Een extra argument om zuinig te zijn op ons onderwijsbestel en (als sluitstuk) op de ruimte voor thuisonderwijs. De lichtvaardige uitspraak van de Hoge Raad kan zomaar de basis voor al het bijzonder onderwijs onderuit schoffelen.

Gaan we 100 jaar terug in de tijd?

Uiteraard moet ook het thuisonderwijs van voldoende kwaliteit zijn. De overheid heeft terecht de taak om toe te zien op de kwaliteit van al het onderwijs en op het welzijn van de kinderen. Maar kwaliteitseisen stellen aan (thuis)onderwijs is gans wat anders dan ouders het vrijwel onmogelijk maken om gebruik te maken van een wettelijke vrijstellingsgrond. Met zijn besluit werpt de Hoge Raad ons allemaal ruim 100 jaar terug

in de tijd. Vanaf 1848 stond de vrijheid van onderwijs keurig in de grondwet, maar in de praktijk konden maar heel weinig ouders daar gebruik van maken. De liberalen van toen zagen het probleem niet, want de openbare school zou voor iedereen goed genoeg moeten zijn. De Hoge Raad zegt nu min of meer hetzelfde.

Veel gedoe om weinig

Momenteel krijgen zo’n 2.500 kinderen in Nederland thuisonderwijs vanwege de geloofs- of levensovertuiging van hun ouders. Dat is 0,1 procent van alle leerlingen. Maar een veel omvangrijker groep leerlingen die niet naar school gaat, betreft de zgn. thuiszitters. Hun aantal wordt geschat op 70.000 kinderen. Het onderwijsaanbod sluit niet aan op hun behoefte. Zij krijgen echter ook géén thuisonderwijs. Waarom wordt hier niet eerst iets aan gedaan?

Juiste prioriteiten?

Het huidige onderwijs kent wel meer problemen. Ouders met schoolgaande kinderen en leerkrachten ergeren zich bijvoorbeeld aan de bureaucratie. Het niveau van taal en rekenen blijft achter, zo laten de PISA-scores zien. Voor begaafde leerlingen is er te weinig uitdaging, voor minder begaafde is er onvoldoende zorg. Ook baart de toenemende schaalgrootte van scholen ouders zorgen. En waar maakt staatssecretaris Tielen (VVD) zich druk om? In een aflevering van het programma “Boos” van BNNVARA van afgelopen maand gaf zij aan dat ze de levensbeschouwelijke vrijstelling van de leerplicht helemaal wil afschaffen. Dat getuigt nou niet bepaald van een juiste prioriteitsstelling en zeker niet van een liberale visie.

Van wie is het kind?

De staatssecretaris en de Hoge Raad dragen er intussen aan bij dat de balans tussen de verantwoordelijkheid van ouders versus die van de overheid verder verschuift in de richting van de staat. Dat is een onwenselijke ontwikkeling. In een vrije samenleving behoort de overheid juist ruimte te laten voor ouders die vanuit een oprechte, principiële overtuiging zelf verantwoordelijkheid willen nemen voor het onderwijs aan hun kinderen. De leerplicht mag niet veranderd worden in een absolute schoolplicht. Thuisonderwijs vormt de lakmoesproef van de onderwijsvrijheid, omdat het kind aan de ouders behoort, niet aan de staat.

Te hard van stapel lopen

Het lijkt er sterk op dat de Hoge Raad deze fundamentele overwegingen niet in de beoordeling heeft meegewogen. Betreurenswaardig, omdat er nu rechtsonzekerheid ontstaat voor ouders van circa 2.500 kinderen. Inmiddels hebben meerdere gemeenten fluks besloten het aantal kinderen dat thuisonderwijs krijgt te verminderen. Den Haag, Rotterdam, Groningen, Amersfoort, Utrecht en Woerden gaan alle nieuwe verzoeken afwijzen. Daarmee lopen deze gemeenten veel te hard van stapel. Want een college van

burgemeester en wethouders heeft deze bevoegdheid niet, gelet op de vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter in ons land (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State). Gemeentebesturen doen er wijs aan om de ruimte voor thuisonderwijs voorlopig ongemoeid te laten.

De wetgever is aan zet

Bij verschil van mening tussen de hoogste rechtscolleges in ons land is het aan de Tweede en Eerste Kamer om eerst de verwarrende knoop door te hakken. Vurig hopen we dat de leden van de Staten-Generaal daarbij niet als kuddedieren achter de (niet zo liberale) staatssecretaris Tielen aanhobbelen. Want dan kunnen ze de aanduiding op hun naambordje beter veranderen in “schapen-generaal”.

Jan Schippers,
Directeur Wetenschappelijk Instituut