3 juni 2026

Geen vrijplaats voor het Iraanse regime

De Tweede Kamer debatteerde op woensdag 3 juni in commissieverband over Iran. Lees hieronder de bijdrage van SGP-Kamerlid Diederik van Dijk.

Sinds de liquidatie van ayatollah Khamenei heeft de Kamer verschillende keren gesproken over Iran. De lijn van de SGP was steeds helder: als zich een kans voordoet om dit regime een gevoelige slag toe te brengen, dan moet je die niet laten lopen.

In het licht van de slachting van 30.000 onschuldige burgers in januari én de nucleaire dreiging van deze sponsor van wereldwijd terrorisme vonden wij de oproep van deze regering tot de-escalatie ronduit ongepast. Vanaf de zijlijn kun je twee dingen doen: óf je verschuilt je achter een strikte lezing van het internationaal recht, óf je spreekt je waardering uit voor de moed van onze bondgenoten om op te treden tegen een regime dat het bloed van zijn eigen mensen aan zijn handen heeft, verantwoordelijk is voor 7 oktober en de technologie levert waarmee Oekraïense steden dagelijks bestookt worden. Terwijl de prijs van een liter benzine ons grootste punt van zorg lijkt, zijn het de VS en Israël die de grootste risico’s van dit conflict dragen.

Laten we niet vergeten dat een significant deel van de Iraanse oppositie altijd al voorstander was van een vorm van buitenlandse interventie. Veel gewone Iraniërs vestigden hun hoop op Amerika, omdat jarenlang civiel verzet niet voldoende bleek om ook maar de minste hervorming af te dwingen. Dat je niet ongeschonden uit de confrontatie met dit regime komt, kan iedere Iraniër je vertellen wiens vader, broer of dochter door dit regime is vermoord en vaak niet eens weet waar zijn geliefde ligt begraven.

  • Ik hoor graag van de minister hoe zijn beleid wordt gevoed door inzichten vanuit de Iraanse diaspora.

De vraag of de VS een exit-strategie hebben is legitiem, maar de focus hierop doet haast vermoeden dat sommigen liever concessies zien van Trump aan Iran, dan andersom. Het doet wat de SGP betreft ook geen recht aan de operationele successen van de VS en Israël: van de marine resteert alleen nog een ‘muggenvloot’ van speedboten, tal van cruciale raketinstallaties zijn in puin gelegd, terwijl afgerekend werd met hele generaties kopstukken van de Garde en hun proxies in de regio.

Het is daarnaast gemakzuchtig en goedkoop om de blokkade van de Straat van Hormuz te presenteren als het onvermijdelijke gevolg van Amerikaans ingrijpen. Het feit dat de Islamitische Republiek bereid is de halve wereldeconomie plat te leggen, zou ons alleen maar moeten sterken in onze vastberadenheid om sancties op het regime verder op te voeren en de zeestraat weer toegankelijk te maken. Daarom de volgende vragen:

  • Hoe wordt toegezien op naleving van EU-sancties?
    • Wat als blijkt dat Nederlandse personen of bedrijven indirect toch zaken doen met de IRGC?
    • Hoe zorgt het kabinet ervoor dat niet alleen de top van de Garde, maar ook lagere functionarissen onder de sancties en reisbeperkingen vallen?

Zoals de minister recent al aangaf, verhult de IRGC zijn betrokkenheid via ondoorzichtige eigendomsstructuren, waardoor niet duidelijk is welke bedrijven of organisaties in eigendom zijn, of onder controle staan.

  • In hoeverre acht de minister het 50%-criterium nog houdbaar als effectieve grens voor sanctietoepassing? Moet deze grens niet gewoon omlaag?

Ik rond af. Dit is een BZ-debat, maar de Iraanse dreiging is allesbehalve uitsluitend buitenlands. Op eigen bodem intimideert het regime via doorgewinterde criminelen en piepjonge ‘wegwerpsoldaten’ dissidenten en pleegt het aanslagen op Joodse doelen. De tijd van pappen en nathouden is voorbij: laat de Iraanse diplomatieke missie geen vrijplaats zijn voor gangsters, maar zet ze het land uit en sluit de ambassade!