5 juni 2023

Van Dijk over wetsvoorstel staatloosheid

Op maandag 5 juni debatteerde de Eerste Kamer met minister Van der Burg over de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid. Namens de SGP sprak Diederik van Dijk. Zijn bijdrage aan het debat is hieronder te lezen.

We bespreken vanavond twee wetsvoorstellen over staatloosheid. Dat staatlozen in een precaire en lastige situatie kunnen komen, mag duidelijk zijn. Je hebt geen papieren en je wordt door geen enkel land erkend als burger; dat kan flinke gevolgen hebben voor het dagelijks leven. Bijvoorbeeld omdat je geen toegang hebt tot zorg of tot werk. Daarom is het goed dat we vandaag over deze voorstellen met elkaar spreken. De SGP heeft nog een aantal vragen om tot een goed oordeel te kunnen komen. Ik zal met name ingaan op de noodzaak en op het mogelijk misbruik van deze voorstellen.

Noodzaak
De SGP vraagt de staatssecretaris nog eens nader toe te lichten waarom dit wetsvoorstel noodzakelijk is. Nederland kent op dit moment geen procedure om staatloosheid vast te stellen. En daar moet het wetsvoorstel wat aan doen. In dat licht de volgende vragen:

  • Wat is het beleid dat de IND op dit moment voert en gevoerd heeft ten aanzien van staatloosheid?
  • Waarom is dat onvoldoende gebleken, en waarom moet er nu een vaststellingsprocedure komen?

De SGP vindt het terecht dat is gezocht naar een oplossing voor mensen die rechtmatig hier verblijven, maar slecht of niet gedocumenteerd zijn. Zij staan nu met ‘nationaliteit onbekend’ in de systemen, en voortaan geeft dat systeem ‘staatloos’ aan.

Kritischer zijn wij op het optierecht voor niet rechtmatig verblijvende kinderen. Welke gedachte zit er achter dit optierecht?

Dat brengt mij bij de keerzijde van dit wetsvoorstel. Welke risico’s kleven hieraan? Dan denk ik aan de mogelijkheid van een aanzuigende werking.

  • Hoe beoordeelt de staatssecretaris de kans op een aanzuigende werking als gevolg van dit wetsvoorstel?
  • Zet de staatssecretaris nog steeds in op terugkeer van een vastgesteld staatloze als deze niet in aanmerking komt voor de Nederlandse nationaliteit?
  • En kan het zo zijn dat vaststelling van staatloosheid eraan bijdraagt dat landen van herkomst eerder weigeren deze mensen terug te nemen? Graag een reactie hierop.

In de Tweede Kamer is bij de wetsbehandeling een amendement aangenomen dat de termijn voor stabiel hoofdverblijf heeft verkort tot vijf jaar. Het kabinet stelde voor uit te gaan van tien jaar. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen deze robuuste verkorting door de Kamer? Hij stelde immers niet voor niets voor om uit te gaan van 10 jaar. Ik citeer uit de Memorie van Toelichting: ‘Het hanteren van een verschillende termijn voor kinderen met rechtmatig verblijf (drie jaar) en kinderen met illegaal verblijf (tien jaar) is gelegen in het voeren van een effectief vreemdelingenbeleid en het tegengaan van misbruik van de regeling. Illegaal verblijf van de ouders mag niet worden beloond en verder dient te worden voorkomen dat ouders hun kind inzetten om als gezin een verblijfsvergunning te krijgen, ondanks dat vastgestelde staatloosheid op zichzelf niet leidt tot rechtmatig verblijf. Een langere termijn ontmoedigt dit en maakt de prikkel om misbruik te maken van deze regeling minder sterk.’

Dit is een heldere motivering om voor een termijn van tien jaar te kiezen.

  • Hoe is die termijn in ons omringende landen?
  • Welke gevolgen heeft deze wijziging volgens hem voor wat betreft mogelijk misbruik en de uitstraling van dit beleid?

Het kan en mag toch niet zo zijn dat het beeld ontstaat dat je voor je kinderen en via je kinderen relatief gemakkelijk het Nederlanderschap kunt krijgen in Nederland. Met alle gevolgen van dien. Kortom, de SGP heeft nog de nodige vragen. Ik zie uit naar de beantwoording.